Het Oudfriese Landrecht



2016-02-19


Lex Frisionum




In de oudheid hadden Friezen een hele sterke onderlinge binding met elkaar en een relatief hoge status als vrije levende in de gelaagde samenleving. Ook op het gebied van de seks ging alles er vrijer aan toe. Alle inwoners van het Friese gebied moesten zich desondanks toch aan het Friese én heersende recht houden. Het Friese stamrecht is al in 800 op schrift gesteld, maar was toen reeds eeuwen in gebruik. Het huwelijksrecht was in die tijd erg star, men mocht bij overspel ongestraft doden. Maar laat de vrije Fries zich eigenlijk wel beteugelen?

In de wetten worden allerlei termen gehanteerd met betrekking tot sexuele activiteiten die niet door de beugel pasten: fornicando, adultero, moechia en stuprum, voor ontucht en overspel. Het is niet altijd duidelijk wat bedoeld wordt. Brundage (1987) geeft de officiële definities: 'fornicando' (ontucht) is een ruim begrip. Het omvat alle zondige sex, dat wil zeggen alle sex buiten het huwelijk en alle ongeoorloofde handelingen zoals fellatio en bestialiteit; 'adultero' (overspel plegen) is een strikter begrip, een bijzondere vorm van ontucht, waarbij tenminste een van de twee zondaars getrouwd is (met een ander).

De Lex Frisionum (voor een Fries huishouden) bevat diverse bepalingen aangaande overspel en ontucht. Artikel V.1 zegt dat een man, die zijn echtgenote betrapt tijdens overspel, haar minnaar zelfs straffeloos mag doden. Wat er met de vrouw gebeurde, vermeldt de Lex niet expliciet. Maar uit bepalingen in andere Germaanse wetten en latere Friese wetten blijkt dat de bedrogen echtgenoot het recht had, ook haar te doden. 
Titel IX gaat over hoererij. Voor ontucht ('fornicando', IX: 1) moest de vrouw een boete betalen aan de koning. Waarschijnlijk wordt hier de ongetrouwde vrouw bedoeld, die niet onder het oordeel van een echtgenoot of vader valt. Een andere bepaling gaat over het met geweld nemen van een ongetrouwd meisje ('virginem', IX: 8). Daarvoor moest de man boeten. Dezelfde Titel IX bevat ook straffen voor het onteren van de slavin van een ander. Daarvoor moest een boete betaald worden, niet aan de slavin zelf, maar aan haar eigenaar.
De Lex geeft een uitputtende opsomming van de boetes voor een groepsverkrachting (IX: 3-7).  Noch in de Lex Frisionum, noch in andere Germaanse wetten, wordt onderscheid gemaakt tussen getrouwde en ongetrouwde mannen. Het maakte kennelijk niet uit of de man nog een echtgenote thuis had zitten of niet. Van tal van koningen is het zelfs bekend dat ze er openlijk concubines op na hielden. Als uit zo'n verhouding een kind voortkwam, dan golden er weer allerlei complexe erfregels.  In de vroege middeleeuwen waren tal van theologen druk met het opstellen van penitentieboeken. Vol met straffen die biechtvaders moesten opleggen aan zondaars. Vooral sexuele overtredingen kwamen daarin uitgebreid aan bod. Al de wetgeving was nodig, omdat de maatschappij zeer gevoelig in elkaar stak op dit punt.
Sex buiten het huwelijk was uiteraard verboden, maar ook binnen het huwelijk waren er vele restricties. Sex mocht vaker niet dan wel en het was zeker niet de bedoeling er plezier aan te beleven, zelfs al was je netjes met elkaar getrouwd. Overtreders moesten vasten of zich lange tijd onthouden van vleselijke contacten. Brundage (1987) geeft een fraai overzicht van al die beperkende regels uit het Europa van 600 - 1000 na Chr. Echter, in de Lex Frisionum, opgeschreven in diezelfde periode, is daarvan niets terug te vinden. De Lex is op het gebied van sex tamelijk coulant. Ontucht en verkrachting werden bestraft, maar voor het overige zien we geen beperkingen voor de Friezen. De Lex Francorum echter kent een straftabel die driemaal hoger ligt na de herziening van deze wetten door de oude Radboud. Elke overtreding was zo ernstig dat de doodslag erop moest volgen.
Als het dan toch fout ging, de straf. Freeske Landriucht, p.33. Dit is lâdriucht δ freesna di grewa deer an freslâde grewa wessa schel … Dit is riucht iest hy dy ne mondschet naet lasta en wille. Aende bi dat wyf toe aeste onfucht soe schel hy dis monnadeis ende acc foerd alda fyf daghé al ont thes saterdthys ban tiel tha. Ende alle da daghen thes hals fanges twy rasum on suerre iesta dyne mondschet laesta thes saterdeys tvifald. Jesta trethda kest half boedel iaen binia dae balkem. Vertaling: "Het Friese Landrecht, p.33. Dit is landrecht van friezen en groningers daar aan friesland groningen zou wezen … Dit is recht voor hij die mondig is, niemand tot last en wilsbekwaam. Als die man bij zijn razende vrouw de eerste keer vreemd gaat, zal hij die maandag en vervolgens aldaar vijf dagen tot aan zaterdag in de gevangenis gaan. En elke dag ontvangt deze hals twee glazen te drinken en op zaterdag krijgt die volwassene dat twee keer. Op donderdag kan hij een half bakje graan daarbij eten."